• Thema 1: We geven bestaanszekerheid primair vorm via de arbeidsmarkt

Bestaanszekerheid voor iedereen is een belangrijke doelstelling van sociaal-economisch beleid. De primaire bron van bestaanszekerheid is betaald werk. Kunnen bijdragen aan maatschappelijke waardecreatie maakt mensen echt onafhankelijk. Daarbij wordt onderkend dat ook via onbetaald werk maatschappelijke waarde wordt gecreëerd.

 

Als betaald werk werkelijk de beste bron van bestaanszekerheid is, moet dat werk wel tot voldoende inkomen leiden en moet het fenomeen van de werkende armen verdwijnen. Daarom bepleiten we een drastische verhoging van het minimumloon, conform de Europese richtlijn1, hetgeen neerkomt op € 15 per uur en € 2.340 per maand bij een 36-urige werkweek. Door de koppeling aan de inkomensontwikkeling wordt tevens gegarandeerd dat het minimumloon meegroeit met de algemene welvaartsontwikkeling. Van een substantiële verhoging van het minimumloon is tenslotte een opwaartse druk op het hele loongebouw te verwachten, een tegendruk op de langjarige stagnatie van het looninkomen in het algemeen.

 

Ook voor degenen die geen betaald werk kunnen vinden wordt bestaanszekerheid gewaarborgd en is een (bijstands) uitkering beschikbaar die via de koppeling aan het minimumloon fors hoger wordt. Daarmee wordt het armoedeprobleem ook voor deze doelgroep bestreden. In de begeleiding naar werk is de eigen regie van de werkzoekende het uitgangspunt. Er dient rekening te worden gehouden met bestaande productieve capaciteiten, zoals werkspecifieke kennis en vaardigheden. Daarnaast kan men op vrijwillige basis voor een basisbaan kiezen. Van de uitkeringsgerechtigden in de bijstand is een substantieel deel feitelijk arbeidsongeschikt. Voor deze groep gaat in de bijstandsregeling een ander regime gelden, maar blijft uitstroom naar betaald werk een uitgangspunt.

 

Voor die uitstroom naar werk komen voor alle uitkeringsgerechtigden, op vrijwillige basis, basisbanen beschikbaar die ook tot een inkomen op het nieuwe sociaal minimum leiden. Iedere publieke instelling en non-profitorganisatie kan bij de gemeente basisbanen aanmelden. De enige toetsing is of ze geen bestaande betaalde arbeid verdringen. Er is genoeg werk te doen, op scholen, in ziekenhuizen, in verzorgingstehuizen, op straat, en noem maar op. We leggen daarmee ook een vloer in de arbeidsmarkt. Mensen krijgen in deze basisbanen een langdurig contract met reguliere arbeidsvoorwaarden– tegen het - verhoogde minimumloon. Er blijft wel een prikkel bestaan om waar mogelijk naar beter betaald werk in de markt over te stappen.

 

Door bestaanszekerheid vorm te geven via deze 3 routes (betaald werk, uitkering, basisbanen) wordt het mogelijk om de toeslag-regelingen - die verdrinken in hun complexiteit en bijdragen aan de armoedeval – gedeeltelijk te ontmantelen. Door het systeem van duurzame basisbanen wordt de bestaanszekerheid van uitkeringsgerechtigden die dan weer wel, dan weer niet flexibel werk hebben sterk verbetert.

 

Bij dit alles houden we niet alleen rekening met de hoogte van het looninkomen, maar ook met het lastenpatroon (inflatie, energieprijzen, huren, zorgkosten).

 

Programmapunten

  • Een basisbaan in de publieke sector is op vrijwillige basis beschikbaar voor iedere langdurig uitkeringsgerechtigde tegen het minimumloon

  • Wij verhogen het minimumloon conform de Europese richtlijn tot € 15 per uur.

  • De hoogte van het minimumloon groeit mee met de algemene inkomensontwikkeling.

  • De bijstandsuitkering groeit in ieder geval mee met het nieuwe minimumloon.

 

  • Thema 2. We bestrijden onevenwichtigheden en ‘mismatches’ in de arbeidsmarkt

De huidige arbeidmarkt wordt gekenmerkt door een groot aantal banen met een lage toegevoegde waarde (TGW). In een breed welvaartsperspectief zou het in plaats van ‘werk, werk, werk’ het moeten gaan over ‘beter werk’. Lonen moeten omhoog en ook de kwaliteit van het werk en de productiviteit in dat werk.

Het is daarom noodzakelijk de arbeidsmarkt te de-flexibiliseren. De flexibele schil (flexcontracten voor werknemers én zzp) in Nederland is te groot. Een oorzaak is dat’zzp-flex' door het ontwijken van verplichte sociale premies goedkoper is geworden dan 'vast'. Dat fungeert als een perverse prikkel voor bedrijven en andere arbeidsorganisaties. Wij bepleiten een verdergaande arbeidsrechtelijke hervorming, met een beperkt aantal contractvormen én bestrijding van oneigenlijk zelfstandig ondernemerschap. Meer arbeidsmigratie van buiten de EU is niets anders dan het weer verder vergroten van goedkoop arbeidsaanbod ten dienste van (grote) werkgevers. Dit dient niet te worden gestimuleerd.

Binnen de arbeidsmarkt moet de positie van het publieke domein worden versterkt. De langdurige forse personeelstekorten in de zorg, bij het onderwijs, politie en rechtelijke macht, openbaar vervoer wijzen op een structurele mismatch van het arbeidspotentieel in Nederland. Te veel arbeid wordt ingezet om snel geld te verdienen en te weinig voor de bevrediging van essentiële reële (brede) welvaartsbehoeften.

Het is de verantwoordelijkheid van de overheid om hier sturend op te treden. Dat kan ook omdat het veelal gaat om sectoren in het (semi) publieke domein of om sectoren waar de overheid via regelgeving grote invloed op heeft. Daarvoor is allereerst nodig een versterking van de overheid als werkgever. Door verbetering van de arbeidsvoorwaarden (inhoud, salariëring en omstandigheden) van (semi) publieke functies maakt de overheid direct of via een voorbeeldfunctie banen voor sectoren die van het grootste belang zijn in het licht van de brede welvaart aanmerkelijk aantrekkelijker. Belangrijker nog, de kwaliteit van dat werk wordt verbeterd door de inhoud van het werk boven alles te stellen en administratieve verantwoordingstaken tot een minimum te beperken. Ook wordt via subsidiëring van de bij- en omscholing tot dergelijke beroepen een stimulans voor een groter aanbod gegeven.

Hiermee wordt ook de essentiële kennisinfrastructuur van de overheid en publieke diensten beter gewaarborgd. Waar nu externe adviseurs zelfs inhoudelijke taken op allerlei gebied overnemen, omdat de benodigde kennis niet meer ‘in huis’ aanwezig is. Kort door de bocht: bij rijkswaterstaat werken te weinig ingenieurs en teveel procesmanagers en dat moet anders.

De overheid gaat de eigen behoefte aan adviseurs actief verminderen door zelf meer specialistische kennis in het eigen ambtenarenapparaat op te nemen. Daarnaast wordt de behoefte aan adviseurs (ook buiten de overheid) teruggebracht door een significante vereenvoudiging van belastingwetten en andere regelgeving.

Onze welvaart ontstaat door de nuttige aanwending van menselijk kapitaal. Omdat de vraag op de arbeidsmarkt op middellange termijn nauwelijks is te voorspellen heeft en overheid een verantwoordelijkheid voor goed initieel onderwijs, maar ook voor een infrastructuur voor post-initieel onderwijs en ontwikkeling (LLO). Opleidingsvouchers op basis van levensloop, gekoppeld aan loopbaanperspectief. Dit wordt ondersteund door een stelsel van periodieke loopbaanadvisering met als doel periodiek onderhoud een 'APK' van het menselijk kapitaal.

Omdat betaald werk cruciaal is als bron van bestaanzekerheid, wordt actief gestreefd naar het bieden van werkgelegenheid aan mensen die van een uitkering afhankelijk zijn door een systeem van basisbanen die meer bestaanszekerheid bieden dan de banen in de flexibele schil.

 

1

Richtlijn (EU) 2022/2041 schrijft een minimum loon voor van 60% van het bruto mediane inkomen per land.